Hebben en zijn

Het gebruik van hebben en zijn als hulpwerkwoord

1. Uitleg

In het Nederlands gebruik je hebben of zijn als hulpwerkwoord in de voltooid tegenwoordige tijd (vtt):
ik heb gewerktik ben gegaan.

Wanneer gebruik je hebben?

Je gebruikt hebben bij:

  1. De meeste werkwoorden
    → Ik heb geluncht.
    → Ik heb de afwas gedaan.
  2. Werkwoorden met een lijdend voorwerp
    → Ik heb een boek gelezen.
    → Hij heeft de jas gepakt.
  3. Werkwoorden die geen beweging van A naar B zijn
    → Ik heb gelachen.
    → We hebben gewacht.

Wanneer gebruik je zijn?

Je gebruikt zijn bij:

  1. Bewegingswerkwoorden (van A naar B)
    → Ik ben naar school gegaan.
    → We zijn naar binnen gelopen.
  2. Veranderingswerkwoorden (iets verandert in toestand)
    → Hij is ziek geworden.
    → De baby is groter geworden.
  3. Een kleine groep vaste werkwoorden:
    • zijn
    • worden
    • blijven
    • opstaan
    • gebeuren
    • slagen (voor een examen)
    • zakken (voor een examen)
    • overlijden
    Voorbeeld:
    → Ze is geslaagd!
    → Het is gebeurd.
    → Hij is opgestaan.

2. Signaalwoorden

Vaak hebben:

gisteren – vandaag – al – nog niet – net – al jaren

Vaak zijn:

naar … (plaats) – weg – thuis – binnen – buiten – boven – beneden – geworden – gebleven


3. Voorbeelden in korte context

ZinUitleg
Ik heb de keuken opgeruimd.Activiteit, geen verplaatsing.
Ik ben naar de markt gegaan.Verplaatsing A → B.
Hij is ziek geworden.Verandering van toestand.
We hebben een film gekeken.Lijdend voorwerp: film.
De les is begonnen.Vast werkwoord.
Ze is thuis gebleven.Vast werkwoord.

4. Oefeningen

Oefening 1 – Vul hebben of zijn in

  1. Ik ___ naar mijn werk gefietst.
  2. We ___ de hele middag gepraat.
  3. Ze ___ op vakantie geweest.
  4. Jij ___ al gegeten?
  5. Het ___ gisteren gesneeuwd.
  6. Hij ___ om 7 uur opgestaan.
  7. We ___ de deur dichtgedaan.
  8. Ze ___ boos geworden.

Antwoorden:

  1. zijn • 2. hebben • 3. zijn • 4. hebt • 5. heeft • 6. is • 7. hebben • 8. is

Oefening 2 – Kies de juiste zin

A of B?

  1. A: Ik heb naar buiten gelopen.
    B: Ik ben naar buiten gelopen.
  2. A: Hij heeft gevallen.
    B: Hij is gevallen.
  3. A: We hebben gewacht.
    B: We zijn gewacht.
  4. A: Ze heeft geslaagd.
    B: Ze is geslaagd.

Antwoorden: 1B • 2B • 3A • 4B


Oefening 3 – Maak zelf zinnen

Gebruik hebben of zijn.

  • gisteren
  • naar school
  • ziek
  • een boek
  • opgestaan
  • naar huis

Voorbeeld:
naar school → Ik ben naar school gegaan.

(Als je wilt, maak ik ook een invulblad hiervoor.)


5. Kleine afsluitopdracht (communicatief)

Laat de cursist mondeling of schriftelijk drie zinnen maken:

  1. Een zin met hebben + activiteit
  2. Een zin met zijn + beweging
  3. Een zin met zijn + verandering
Scroll naar boven