Spreken A1/A2

  • korte gesprekken voeren op het werk
  • vragen en antwoorden oefenen
  • beleefd en duidelijk communiceren

Werken als schoonmaakster in het ziekenhuis

1. Opwarming – Dag op het werk

Docent vraagt (mondeling):

  • Waar werk je?
  • Werk je overdag of ’s nachts?
  • Werk je alleen of met collega’s?

Modelantwoorden (op het bord):

  • Ik werk in een ziekenhuis.
  • Ik werk ’s ochtends / ’s middags.
  • Ik werk alleen / samen.

2. Woordenschat – Werkplek ziekenhuis

Bespreek en oefen mondeling:

  • kamer
  • gang
  • toilet
  • bed
  • prullenbak
  • schoon / vies
  • handschoenen
  • kar

Spreekoefening (wijzen / benoemen):

  • Wat is dit?
  • Is dit schoon of vies?
  • Gebruik je dit?

3. Korte zinnen op het werk

Oefening 1 – Nazeggen en variëren

Docent zegt → cursist herhaalt:

  • Ik maak deze kamer schoon.
  • Ik werk hier vandaag.
  • Ik ben bijna klaar.

Variatie:

  • deze kamer → deze gang / dit toilet
  • vandaag → nu / straks

4. Beleefd praten met collega’s

Handige zinnen

  • Goedemorgen.
  • Mag ik hier schoonmaken?
  • Is deze kamer klaar?
  • Ik ben zo klaar.
  • Dank je wel.

Rollenspel 1 – Collega

Docent = collega, cursist = zichzelf

Voorbeeld:

  • Docent: Goedemorgen.
  • Cursist: Goedemorgen.
  • Docent: Kun je hier schoonmaken?
  • Cursist: Ja, dat is goed.

👉 Daarna rollen wisselen.

5. Praten met verpleegkundige of arts

Modelzinnen

  • Sorry, ik maak nu schoon.
  • Kunt u even wachten?
  • Ik kom later terug.
  • Is het goed zo?

Rollenspel 2 – Werkmoment

Situatie: iemand is in de kamer

Docent (verpleegkundige):

  • Ik ben hier bezig.

Cursist:

  • O, sorry.
  • Ik kom later terug.

Variaties:

  • Mag ik nu schoonmaken?
  • Wanneer kan ik terugkomen?

6. Probleem melden

Voorbeeldzinnen

  • Dit is vies.
  • Dit is kapot.
  • Ik heb nieuwe handschoenen nodig.
  • De prullenbak is vol.

Spreekoefening

Docent vraagt:

  • Wat is het probleem?

Cursist antwoordt:

  • De prullenbak is vol.
  • De vloer is vies.

7. Kleine praatjes (light small talk)

Modelzinnen:

  • Het is druk vandaag.
  • Ik heb veel kamers.
  • Ik werk vandaag tot drie uur.

Oefening:
Docent begint:

  • Het is druk vandaag, hè?
    Cursist reageert:
  • Ja, heel druk. / Ja, een beetje.

8. Afsluiting – Terugkijken

Vragen aan de cursist:

  • Welke zinnen gebruik je op je werk?
  • Wat vond je moeilijk?
  • Wat wil je nog oefenen?

Extra (optioneel huiswerk)

  • 3 zinnen opschrijven die zij vandaag of morgen gebruikt
  • of 1 situatie tekenen en beschrijven
Scroll naar boven