F3 – les 1

LES 1 – De Kinderopvang in Nederland

LESDOELEN

Na deze les kan de cursist:

  • in eigen woorden uitleggen wat een kinderdagverblijf is
  • basiswoorden over de kinderopvang begrijpen
  • eenvoudige vragen beantwoorden over een tekst
  • vertellen waarom hij/zij in de kinderopvang wil werken
  • korte gesprekken voeren over het werk

1. Warming-up (10 minuten – spreken)

Docent zegt:

“Vandaag beginnen we met taal voor werken in de kinderopvang.”

Gesprek

  • Waarom wil je werken met kinderen?
  • Heb je ervaring met werken met kinderen?
  • Wat vind je leuk en wat minder leuk aan werken met kinderen?

2. Woordenschat voorbereiden (15 minuten)

Opdracht 2 – Woorden oefenen

Kies het juiste woord

  1. Op een __________ werken pedagogisch medewerkers.
  2. De __________ brengen hun kind in de ochtend.
  3. Een vast __________ geeft kinderen rust.
  4. Het belangrijkste in de opvang is __________.
  5. Collega’s moeten goed __________.

(antwoorden: kinderdagverblijf – ouders – dagprogramma – veiligheid – samenwerken)

3. Leestekst (15 minuten)

Lees de tekst rustig

Werken op een kinderdagverblijf

In Nederland gaan veel kinderen naar een kinderdagverblijf. Ouders brengen hun kinderen naar de opvang als zij werken of studeren. Op het kinderdagverblijf werken pedagogisch medewerkers.

Een pedagogisch medewerker zorgt voor jonge kinderen van nul tot vier jaar. Zij of hij speelt met de kinderen, helpt bij eten en drinken en zorgt voor een veilige omgeving. Ook helpt de pedagogisch medewerker kinderen om nieuwe dingen te leren.

Elke dag heeft een vast dagprogramma. Kinderen eten samen, spelen binnen en buiten en gaan vaak slapen. Een vast programma geeft kinderen rust en duidelijkheid.

Pedagogisch medewerkers werken niet alleen met kinderen, maar ook met ouders. Bij het brengen en halen praten zij met ouders over hoe het met het kind gaat. Goede communicatie is daarom heel belangrijk.

Het werk in de kinderopvang is verantwoordelijk werk. Je moet geduldig zijn, vriendelijk en duidelijk. Veel mensen vinden het mooi werk, omdat je kinderen ziet groeien en ontwikkelen.

4. Begrijpend lezen

NRC 11/02/2026. – Klik voor de tekst op de afbeelding
Woord of uitdrukkingBetekenis in eenvoudig Nederlands
piloteen proef om iets nieuws te proberen
kinderopvangtoeslageen financiële bijdrage van de overheid voor kinderopvang
uitbreidengroter maken / meer plaatsen bieden
aanmeldenlaten weten dat je mee wilt doen
remmenzorgen dat iets niet gebeurt (hier: drempel / onzekerheid)
toegankelijkmakkelijk om te gebruiken / bereikbaar voor iedereen
regelingafspraak / systeem waardoor iets geregeld is
maatschappelijkvoor de hele samenleving belangrijk
achterstandswijkenwijken met minder geld, minder kansen
vertrouwen winnenzorgen dat mensen zich op hun gemak voelen
ontwikkelingskansenmogelijkheden om te groeien en leren

Begripsvragen (leesbegrip)

  1. Waar gaat de pilot in Groningen over?
    a. Gratis boeken voor kinderen
    b. Gratis kinderopvang voor jonge kinderen
    c. Gratis schoollunch voor leerlingen
  2. Wat is het doel van de pilot?
    a. Ouders meer laten sporten
    b. Kinderen helpen beter te leren en ouders meer ruimte geven
    c. Meer scholen bouwen
  3. Waarom melden sommige ouders zich niet aan?
    a. Ze weten niet hoe dat moet
    b. Ze willen niet naar school
    c. Ze kunnen niet fietsen
  4. Voor welke groep ouders is de pilot bedoeld?
    a. Alleen werkende ouders
    b. Alle ouders, ook zonder werk
    c. Alleen ouders met drie kinderen

Opdracht 3 – Waar of niet waar?

  1. In Nederland gaan alle kinderen naar school.
  2. Een pedagogisch medewerker werkt met kinderen van 0–4 jaar.
  3. Kinderen hebben geen vast programma nodig.
  4. Pedagogisch medewerkers praten met ouders.
  5. Geduld is belangrijk in dit werk.

Discussievragen / Spreekoefening

  1. Niet waar
  2. Waar
  3. Niet waar
  4. Waar
  5. Waar
  1. Zou jij je kind aanmelden voor gratis kinderopvang? Waarom wel of niet?
    Gebruik woorden uit de woordlijst (bijvoorbeeld pilot, toegankelijk, vertrouwen).
  2. Welke voordelen heeft gratis kinderopvang voor kinderen?
    Bespreek minstens drie voordelen.
  3. Welke problemen kunnen ontstaan bij zo’n nieuwe regeling?
    Denk aan taal, papierwerk en vertrouwen.

Opdracht 4 – Korte vragen

  1. Waarom brengen ouders hun kind naar de opvang?
  2. Noem twee taken van een pedagogisch medewerker.
  3. Waarom is een vast dagprogramma belangrijk?
  4. Met wie praat een pedagogisch medewerker?
  5. Welke eigenschappen zijn belangrijk in dit werk?

5. Spreken – begeleide productie (20 minuten)

Opdracht 5 – Vertel over jezelf

In tweetallen:

Vertel aan je partner:

  • Waarom wil jij in de kinderopvang werken?
  • Heb je ervaring met kinderen?
  • Wat vind je belangrijk in dit werk?

Spreekkader (op bord schrijven):

  • “Ik wil in de kinderopvang werken omdat …”
  • “Ik vind het leuk om …”
  • “Ik heb ervaring met …”
  • “Ik vind het belangrijk dat …”

Opdracht 6 – Zinnen oefenen

  • “Ik werk graag met kinderen.”
  • “Veiligheid is heel belangrijk.”
  • “Ik ben geduldig en vriendelijk.”
  • “Ik praat elke dag met ouders.”
  • “Ik help kinderen bij het eten.”

6. Rollenspel (20 minuten)

Situatie 1 – Kennismaking

Rol A – pedagogisch medewerker
Rol B – nieuwe ouder

Oefen dit gesprek:

  • A begroet de ouder
  • A vertelt kort wat zij doet
  • B stelt vragen

Voorbeeldvragen ouder:

  • “Wat doet u op een dag met de kinderen?”
  • “Hoeveel kinderen zitten er in de groep?”
  • “Is er een vast programma?”

Situatie 2 – Uitleg over het werk

Cursist legt aan een vriend(in) uit:

  • wat een kinderdagverblijf is
  • wat een pedagogisch medewerker doet

Doel: vrij spreken in eenvoudige zinnen.

7. Afsluiting en herhaling (10 minuten)

Klassikaal:

Vraag iedere cursist één zin te zeggen:

“Wat heb je vandaag geleerd?”

Voorbeeld:

  • “Ik heb nieuwe woorden geleerd.”
  • “Ik kan nu vertellen wat een pedagogisch medewerker doet.”

Docentenhandleiding – praktische tips

Differentiatie

  • Zwakkere cursisten:
    • laat hen met het spreekkader werken
    • geef meer tijd voor voorbereiding
  • Sterkere cursisten:
    • laat hen langere antwoorden geven
    • extra vragen laten bedenken

Materialen

  • bord of flipover
  • geprinte tekst
  • kaartjes met woorden

Huiswerk (optioneel)

  • Lees de tekst nog een keer thuis
  • Leer de 10 woorden uit de woordenlijst
  • Vertel thuis in het Nederlands wat je hebt geleerd

BIJLAGE – MINI-WOORDENLIJST NL–UA

kinderopvangдитячий садок / догляд
kinderdagverblijfденний центр для дітей
pedagogisch medewerkerвихователь
veiligheidбезпека
dagprogrammaрозклад дня
spelenграти
oudersбатьки
samenwerkenспівпрацювати
Scroll naar boven