
In deze les leer je hoe je een ander kunt vertellen wie je bent en wat je doet.
Je gaat weer verder met het uitbreiden van je woordenschat en je leert hoe je ervoor kunt zorgen dat anderen je goed begrijpen.
Woordenschat
Woorden met een m
maag, maal, maaltijd, maan, maand, maar, maat, machine, maken, makkelijk, mama, man, mand, manier, map, markeren, markt, me, medicijn, meel, meer, meerdere, meest, meisje, melk, meneer, mengsel, mensen, mes, met, meubel, mevrouw, middel, midden, mij, mijn , miljoen, min, minder, minuut, mis, missen, mits, model, modern, moeder, moeilijk, moeten, mogelijk, mogen, moment, mond, mooi, moord, moorden, morgen, munt, muziek
| woord | betekenis | voorbeeld 1 | voorbeeld 2 |
|---|---|---|---|
| maag | Orgaan in je lichaam dat voedsel verteert. | Hij heeft pijn in zijn maag. | De maag maakt eten klein. |
| maal | Keer dat iets gebeurt of gegeten wordt. | We eten drie maal per dag. | De eerste maal dat ik haar zag, was op school. |
| maaltijd | Eten dat je op een vast moment van de dag gebruikt. | Het ontbijt is mijn favoriete maaltijd. | Ze kookte een warme maaltijd voor het gezin. |
| maan | Hemellichaam dat ’s nachts aan de hemel staat. | De maan schijnt fel vannacht. | Kinderen leren over de maan op school. |
| maand | Periode van ongeveer dertig dagen. | Ik krijg mijn salaris elke maand. | Februari is de kortste maand. |
| maar | Woord dat een tegenstelling aangeeft. | Ik wil wel komen, maar ik heb geen tijd. | Hij is klein, maar sterk. |
| maat | Grootte of afmeting; ook: vriend. | Deze broek is niet mijn maat. | Hij is mijn beste maat. |
| machine | Apparaat dat werk doet. | De wasmachine is kapot. | De machine maakt veel lawaai. |
| maken | Iets produceren of doen ontstaan. | Zij maakt een taart. | De kinderen maken een tekening. |
| makkelijk | Niet moeilijk. | Deze oefening is makkelijk. | Het is makkelijk om dat te vergeten. |
| mama | Moeder (informeel). | Mama leest een boek voor. | Mijn mama werkt in het ziekenhuis. |
| man | Volwassen mannelijke persoon. | De man helpt zijn buurvrouw. | Dat is een aardige man. |
| mand | Voorwerp om dingen in te dragen. | Ze legt de appels in de mand. | De kat slaapt in een mand. |
| manier | Wijze waarop iets gebeurt. | Iedereen leert op zijn eigen manier. | Dat is geen nette manier van doen. |
| map | Voorwerp om papieren in te bewaren. | Ik heb de papieren in de blauwe map gedaan. | De map ligt op het bureau. |
| markeren | Duidelijk aangeven met een teken of kleur. | Je kunt het juiste antwoord markeren. | Ze markeert de belangrijke woorden in geel. |
| markt | Plek waar mensen spullen verkopen. | Op zaterdag is er markt in de stad. | We kopen groente op de markt. |
| me | Korte vorm van ‘mij’. | Laat me met rust. | Hij helpt me met de tas. |
| medicijn | Middel om beter te worden van een ziekte. | De dokter geeft een medicijn tegen de pijn. | Je moet het medicijn drie keer per dag nemen. |
| meel | Poeder van graan om brood van te maken. | Ze bakt brood van volkoren meel. | Er zit meel op het aanrecht. |
| meer | Groter aantal of hoeveelheid. | Ik wil meer tijd voor mezelf. | Er zijn meer stoelen nodig. |
| meerdere | Meer dan één; verschillende. | Er waren meerdere mensen op het feest. | Hij heeft meerdere banen gehad. |
| meest | Het hoogste of grootste van iets. | Wie heeft het meest gegeten? | Zij is het meest ervaren. |
| meisje | Vrouwelijk kind of jonge vrouw. | Het meisje speelt in de tuin. | Dat meisje kent mijn broer. |
| melk | Witte drank van koeien of andere dieren. | Ik drink graag melk bij het ontbijt. | Ze giet melk in de koffie. |
| meneer | Aanspreekvorm voor een man. | Goedemorgen, meneer Jansen. | Die meneer werkt bij de bank. |
| mengsel | Combinatie van verschillende stoffen. | De saus is een mengsel van olie en kruiden. | Ze maakt een mengsel van meel en water. |
| mensen | Meervoud van mens. | Er staan veel mensen op de bus te wachten. | Mensen hebben eten en slaap nodig. |
| mes | Voorwerp met een scherp blad om te snijden. | Pas op, dat mes is scherp! | Hij snijdt het brood met een mes. |
| met | Samen met of door middel van. | Ik ga met de trein. | Ze praat met haar vriendin. |
| meubel | Voorwerp in huis, zoals tafel of stoel. | De kast is een oud meubel. | Ze koopt nieuwe meubels voor de woonkamer. |
| mevrouw | Aanspreekvorm voor een vrouw. | Goedenavond, mevrouw De Boer. | Die mevrouw werkt op school. |
| middel | Hulpmiddel of stof die iets doet werken. | Ze gebruikt een middel tegen hoofdpijn. | Een goed middel om te leren is herhalen. |
| midden | Het centrale punt van iets. | De tafel staat in het midden van de kamer. | Ze wonen in het midden van het land. |
| mij | Persoonlijk voornaamwoord (ik, me). | Dat boek is van mij. | Ze vraagt het aan mij. |
| mijn | Bezitterlijk voornaamwoord: van mij. | Dat is mijn fiets. | Mijn huis is dichtbij. |
| miljoen | Getal: 1.000.000. | Er wonen meer dan een miljoen mensen in de stad. | Hij won een miljoen euro. |
| min | Teken of woord voor aftrekken; ook: iets negatiefs. | Drie min één is twee. | Het enige minpunt is de prijs. |
| minder | Kleiner in hoeveelheid of aantal. | Ik drink minder koffie. | Er waren minder mensen dan vorig jaar. |
| minuut | Zestig seconden. | We wachten nog één minuut. | Hij kwam vijf minuten te laat. |
| mis | Fout of vergissing. | Er ging iets mis bij de bestelling. | Je hebt het mis, het is anders. |
| missen | Iemand of iets niet hebben of ernaar verlangen. | Ik mis mijn familie. | Ze mist de bus elke ochtend. |
| mits | Alleen als; op voorwaarde dat. | Je mag mee, mits je je huiswerk af hebt. | We gaan wandelen, mits het niet regent. |
| model | Voorbeeld of vorm van iets. | Ze toont een nieuw model van de telefoon. | Dat model auto is populair. |
| modern | Van deze tijd; niet ouderwets. | Hun huis is heel modern ingericht. | Ze dragen moderne kleding. |
| moeder | Vrouw die een kind heeft gekregen. | Mijn moeder kookt graag. | De moeder troost haar kind. |
| moeilijk | Niet makkelijk; vraagt inspanning. | De toets was moeilijk. | Hij vindt Nederlands leren moeilijk. |
| moeten | Verplicht zijn om iets te doen. | Je moet op tijd komen. | We moeten morgen vroeg opstaan. |
| mogelijk | Wat kan gebeuren of gedaan kan worden. | Het is mogelijk dat het regent. | We zoeken naar een mogelijke oplossing. |
| mogen | Toestemming hebben om iets te doen. | Je mag nu naar buiten. | Mag ik even bellen? |
| moment | Kort stukje tijd. | Wacht een moment, alsjeblieft. | Het was een mooi moment. |
| mond | De opening in het gezicht om te eten of te praten. | Hij stopt het snoepje in zijn mond. | Houd je mond alsjeblieft dicht. |
| mooi | Aantrekkelijk om te zien of te horen. | Wat een mooie bloemen! | Het weer is vandaag mooi. |
| moord | Het doden van een persoon met opzet. | De politie onderzoekt de moord. | Moord is een ernstig misdrijf. |
| moorden | Iemand expres doden. | Hij werd veroordeeld voor moorden. | In het verhaal moorden de piraten hun vijanden. |
| morgen | De dag na vandaag. | Tot morgen! | Morgen begint de vakantie. |
| munt | Geldstuk; ook: plant met frisse geur. | Een euro is een munt. | Ze maakt thee met munt. |
| muziek | Kunstvorm van tonen en geluiden. | Ik luister graag naar muziek. | Ze speelt muziek op de gitaar. |