
Lesdoelen
- Je kiest correct tussen dit/deze en dat/die in uiteenlopende contexten (ruimtelijk, temporeel, tekstverwijzend).
- Je gebruikt het en de correct als lidwoord.
- Je herkent het verschil tussen dat als aanwijzend voornaamwoord en dat als voegwoord
1. Korte uitleg
1.1 Aanwijzende voornaamwoorden
- Dichtbij: dit (het-woord), deze (de-woord/meervoud)
dit boek, deze tafel, deze mensen - Verder weg / afstand (ook figuurlijk of temporeel): dat (het-woord), die (de-woord/meervoud)
dat huis, die stoel, die jaren - Zelfstandig gebruik (zonder zelfstandig naamwoord):
Ik neem deze (broden). Wil jij die? / Wat is dit? – Dat is een kompas.
Tekstverwijzing (discourse deictisch):
- dit/deze = wat nu komt of net genoemd is en nabij voelt voor spreker (nieuw/actueel):
Luister naar dit: we verhuizen in juni. / Met deze drie punten rond ik af. - dat/die = wat eerder genoemd is of op afstand staat (afgerond/afgekeurd/afstandelijk):
We hadden een conflict; dat was niet prettig. / Die opmerking van hem ging te ver.
Nuances:
- Dat/Die kan afstand of afkeuring benadrukken: Neem dat maar niet serieus.
- Dit/deze kan betrokkenheid/waardering benadrukken: Kijk deze eens—prachtig!
- Vaste combinaties: dit soort + meervoud (dit soort vragen), datgene wat (neutraal/formeel).
1.2 ‘Het’ en ‘de’
- Lidwoorden: de (common-gender), het (neuter). Onthoud uitzonderingen/vaste woordgeslachten.
- Pronomen ‘het’:
- Anticiperend het (expletief onderwerp): Het is jammer dat je niet kwam.
(Het verwijst nog nergens naar; de dat-zin geeft de echte inhoud.) - Pro-vorm voor een hele zin/idee: Ze zei dat ze stopt—ik geloof het niet.
- Vaste uitdrukkingen/weer/tijd: Het regent. Het is laat.
- Voor het-woorden: Ik koop een boek. Waar is het?
- Anticiperend het (expletief onderwerp): Het is jammer dat je niet kwam.
- Pronomen ‘de’ bestaat niet; gebruik die/deze/degene:
De man komt binnen. Die kent mij. / Degene die belt, is welkom.
1.3 ‘Die/dat’ vs. voegwoord/relativum
- Aanwijzend: Ik wil dat boek / die tas.
- Relatief/voegwoord:
- die = betrekkelijk voornaamwoord bij de-woorden/meervoud: De man die belt… / de boeken die…
- dat = betrekkelijk bij het-woorden/zin: Het huis dat te koop is… / Het nieuws dat kwam…
- dat als voegwoord: Ik denk dat hij komt. (geen aanwijzing)
2. Opwarmers (mondeling, 5 min)
- Wijs in het lokaal drie objecten aan en laat cursisten reageren:
Docent: Wat is dit? – Student: Dit is een…
Docent: En dat daar? – Student: Dat is een… - Laat cursisten nuance geven: Kies deze of die en geef één reden (mooi, dichtbij, eerder genoemd).
3. Kernopdrachten (schrijven/spreken)
Oefening A – Kies dit/deze/dat/die (ruimtelijk & tekstverwijzing)
Vul in. Motiveer kort je keuze (dichtbij/veraf/nieuw/oud).
- Neem jij ___ jas mee? Die naast je stoel.
- Luister naar ___: we verplaatsen de afspraak naar vrijdag.
- Zie je ___ gebouwen aan de overkant?
- Over ___ project van vorig jaar wil ik niet meer praten.
- Kun je ___ e-mail nog eens doorsturen? (we hebben die net besproken)
- Wat vind je van ___ idee om later te beginnen? (net geïntroduceerd)
Antwoorden (voorbeeld):
- die 2. dit 3. die 4. dat 5. die 6. dit
Oefening B – Lidwoord of pronomen? (het/de)
Kies het/de, of het als pronomen. Licht toe.
- ____ probleem is dat niemand verantwoordelijkheid neemt.
- ____ is jammer dat de trein uitvalt.
- Waar ligt ____ document? Ik zag ____ net nog.
- ____ regent al de hele dag.
- ____ boek dat je me gaf, was precies waar ik naar zocht.
- Ze beloofde op tijd te komen, maar ik geloof ____ niet.
Antwoorden (voorbeeld):
- Het (het-woord)
- Het (anticiperend/expletief)
- het / het (lidwoord + pronomen)
- Het (weer)
- Het (lidwoord)
- het (pronomen voor hele uitspraak)
Oefening C – Transformeren: aanwijzend → relatief (B2-zinsbouw)
Herschrijf met die/dat als betrekkelijk voornaamwoord.
- Die vrouw daar is mijn buurvrouw. (→ … vrouw ___ …)
- Ik kocht dat apparaat gisteren. (→ … apparaat ___ …)
- Die studenten maken altijd aantekeningen. (→ … studenten ___ …)
Mogelijke antwoorden:
- De vrouw die daar is, is mijn buurvrouw.
- Het apparaat dat ik gisteren kocht.
- De studenten die altijd aantekeningen maken.
Oefening D – Ambiguïteit oplossen (dat = aanwijzend of voegwoord?)
Geef bij elke zin aan: aanwijzend of voegwoord, en verbeter indien nodig.
- Ik denk dat dat geen goed idee is.
- Ze zei dat die niet meer beschikbaar is. (bedoeld: het-woord ‘model’)
- Weet je dat dat boek opnieuw is uitgegeven?
Antwoorden (voorbeeld):
- dat (voegwoord) + dat (aanwijzend voor het-woord ‘idee’). ✓
- Eerste dat = voegwoord; die verwijst naar een de-woord? Maar bij een het-woord moet het dat zijn → Ze zei dat dat niet meer beschikbaar is.
- Voegwoord + aanwijzend voor het-woord boek. ✓
Oefening E – ‘Dit/deze’ vs. ‘dat/die’ in toon en houding (pragmatiek)
Kies het woord dat de bedoeling het best weergeeft (betrokken/afstandelijk).
- Ik zou graag ___ kandidaat aanbevelen; hij past perfect bij dit team.
- Kunnen we ___ gedrag niet meer tolereren?
- Kijk eens naar ___ opties; ze sluiten goed aan bij onze doelen.
Mogelijke antwoorden:
- deze (nabij/betrokken)
- dat (afstand/afkeur)
- deze (positieve betrokkenheid)
Oefening F – Mini-schrijfopdracht (B2)
Schrijf twee korte alinea’s (3–4 zinnen):
- Alinea 1 introduceert iets nieuws met dit/deze en sluit af met een zin met het als anticiperend onderwerp.
- Alinea 2 verwijst naar iets eerder genoemd met dat/die en bevat één relatieve bijzin met die/dat.
Beoordelingscriteria: correctheid, variatie, heldere verwijzingen.
4. Spreektaak (duo, 8–10 min)
A kiest drie voorwerpen in de ruimte en beschrijft ze met dit/deze/dat/die + reden (afstand/waardering).
B vraagt door en vat samen met het als pro-vorm (Dus je wilt het omdat…). Rollen wisselen.
5. Veelgemaakte fouten (B2-focus)
- ‘De’ als pronomen: de vervang je door die/deze/degene; de zelf kan niet zelfstandig verwijzen.
- Relatief vs. aanwijzend door elkaar halen: Het boek dat… (relatief), Ik wil dat boek (aanwijzend).
- Overgeneralisatie ‘deze/die’ bij het-woorden: dit/dat blijft nodig bij het-woorden.
- Dit soort + meervoud: dit soort problemen (niet: deze soort probleem).
- Anticiperend ‘het’ vergeten: Het is belangrijk dat… (niet: Is belangrijk dat…).
6. Snelle check (exit ticket)
Kies het onderstreepte woord en leg in 1 zin uit waarom:
- Ik denk dat/dat hij komt.
- Dit/Dat voorstel hebben we nog niet besproken; zullen we dit/dat later agenderen?
- Waar is het/de document? Ik kan het/de nergens vinden.
Antwoorden (voorbeeld): 1. dat (voegwoord). 2. Dit (nieuw/nabij), dat (later/afstand). 3. het, het (het-woord).
7. Docentnotities (tijd & differentiatie)
- Tijdsindicatie: 45–60 min.
- Differentiatie: laat snellere cursisten Oef. F uitbreiden met meer relatieve bijzinnen en contrastieve nuance (datvoor afkeuring).
- Feedbacktips: check bewuste keuzes (vraag steeds waarom ze dit/dat/deze/die kozen).