
In de winkel
| Begroeting en hulp bieden | Producten en vragen | Prijzen en betaling | Afscheid en bedanken | Algemene woorden | ||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Hallo / Goedemiddag / Goedenavond: | Wat zoekt u? / Bent u op zoek naar iets specifieks? | Dat is [prijs]. | Dank u wel | Ja, Nee< Ik vraag het even; helaas niet | ||
| Kan ik u helpen? / Waarmee kan ik u van dienst zijn? | We hebben ook… / Misschien is dit iets voor u? | Betaalt u contant of met pin? | Graag gedan | Graag, alsublieft | ||
| Kunt u hier terecht? | Dit is een … / Onze … is van … | Hier is uw bon | Tot ziens! | Sorry | ||
| Is dit de juiste maat? / Wilt u een andere kleur? | Mijn naam is |
Woorden
| Woord | Betekenis | Voorbeeldzin 1 | Voorbeeldzin 2 |
|---|---|---|---|
| vaak | regelmatig, veel keren | Ik ga vaak naar de markt. | Hij is vaak te laat. |
| vaarwel | afscheidsgroet | Ze zei vaarwel tegen haar vrienden. | We namen verdrietig vaarwel. |
| vader | man die een kind heeft | Mijn vader werkt in een ziekenhuis. | De vader speelt met zijn zoon. |
| vak | onderdeel van school of werk | Wiskunde is mijn favoriete vak. | Hij is goed in zijn vak. |
| vakantie | periode om vrij te zijn van werk of school | Wij gaan op vakantie naar Spanje. | In de vakantie lees ik veel boeken. |
| vallen | naar beneden gaan zonder controle | Pas op dat je niet valt. | De bladeren vallen van de bomen. |
| vals | niet echt of gemeen | Hij gaf een vals antwoord. | De hond blaft vals naar vreemden. |
| van | woord dat herkomst of eigendom aangeeft | Dit boek is van mij. | Hij komt van school. |
| vandaag | deze dag | Vandaag schijnt de zon. | Ik heb vandaag een afspraak. |
| vangen | iets pakken wat beweegt | De kat vangt een muis. | Hij kan goed een bal vangen. |
| vanmorgen | in de ochtend van vandaag | Ik heb vanmorgen met de huisarts gebeld. | Vanmorgen was het erg koud. |
| vannacht | de nacht die net geweest is of nog komt | Vannacht heb ik slecht geslapen. | Het gaat vannacht vriezen. |
| varken | boerderijdier met een snuit | We zagen een varken op de kinderboerderij. | Een varken rolt graag in de modder. |
| vast | stevig en niet los; zeker | Zet de kast vast met een schroef. | De dop zit vast op de fles. |
| vechten | strijden; met kracht tegen iemand of iets ingaan | Vechten is verboden op school. | Hij vecht tegen zijn ziekte. |
| veel | in grote hoeveelheid | Er waren veel mensen op het festival. | Ze drinkt veel water. |
| veer | pont/boot om een korte overtocht te maken | We nemen het veer naar de overkant. | Het veer vaart elk half uur. |
| veilig | zonder gevaar | Kinderen moeten veilig naar school kunnen. | Het is veilig in dit dorp. |
| ver | niet dichtbij | Het strand is ver van hier. | Zij woont ver weg. |
| veranderen | anders maken of worden | Het weer verandert snel. | Ik wil mijn kamer veranderen. |
| verandering | het anders worden | Er is veel verandering op het werk. | De verandering was moeilijk voor hem. |
| verder | later of bovendien; op grotere afstand | We gaan verder met het volgende onderwerp. | Het station ligt verder naar rechts. |
| verdienen | geld krijgen voor werk | Hij verdient veel geld. | Zij verdient respect voor haar werk. |
| verdrietig | niet blij, droevig | Zij is verdrietig omdat haar kat weg is. | Hij kijkt verdrietig naar de foto. |
| verenigen | tot één groep samenbrengen | De club wil de buurtbewoners verenigen. | De bedrijven verenigen hun krachten. |
| verf | gekleurde vloeistof om te schilderen | We kopen verf voor de muren. | De verf is nog nat. |
| vergelijkbaar | ongeveer hetzelfde | De prijzen zijn vergelijkbaar met vorig jaar. | Onze resultaten zijn niet vergelijkbaar. |
| vergelijken | de overeenkomsten en verschillen bekijken | Vergelijk de twee teksten. | Ik vergelijk prijzen voordat ik iets koop. |
| vergelijking | het resultaat of proces van vergelijken; soms een rekensom met = | In de vergelijking tussen de scholen scoort deze beter. | Maak de vergelijking en kies de beste optie. |
| vergeten | niet meer aan iets denken | Ik vergat de afspraak. | Vergeet je jas niet! |
| vergeven | niet langer boos zijn om iemands fout | Ze vergaf hem zijn fout. | Kun je me vergeven? |
| vergissen | een fout maken doordat je iets verkeerd ziet of denkt | Sorry, ik vergis me in de datum. | Hij vergiste zich in de prijs. |
| verhaal | een vertelling van gebeurtenissen | Hij leest een spannend verhaal. | Ze vertelde een verhaal over haar jeugd. |
| verhoging | het hoger of meer worden | We krijgen een huurverhoging. | Er is een verhoging van de belasting. |
| verjaardag | dag waarop iemand geboren is | Ik geef een feestje op mijn verjaardag. | Gefeliciteerd met je verjaardag! |
| verkeerd | niet goed; fout | Je hebt het verkeerde nummer. | Ik nam de verkeerde bus. |
| verkopen | iets aan iemand geven voor geld | De winkel verkoopt kleren. | Ik wil mijn fiets verkopen. |
| verlaten | weggaan uit een plaats of bij iemand | Hij verliet het huis om te werken. | Zij voelde zich verlaten. |
| verleden | tijd die al voorbij is | In het verleden woonde ik in Den Haag. | We praten over het verleden. |
| verliezen | niet winnen of kwijtraken | Ons team verloor de wedstrijd. | Ik ben mijn sleutels verloren. |
| vernietigen | helemaal kapotmaken | De storm vernietigde het dak. | Het bedrijf vernietigt oude documenten. |
| veroveren | door moeite of strijd krijgen | Het team veroverde de eerste plaats. | De koning veroverde nieuwe landen. |
| verrassen | iemand onverwacht blij maken | We willen haar met een feestje verrassen. | De uitslag verraste iedereen. |
| vers | nieuw, niet oud of bedorven | De vis is vers van de markt. | Gebruik verse groente. |
| verschil | iets dat niet hetzelfde is | Er is een groot verschil tussen zomer en winter. | Wat is het verschil tussen deze twee woorden? |
| verschrikkelijk | heel erg, heel slecht | Het weer was verschrikkelijk koud. | Ze voelde zich verschrikkelijk alleen. |
| verspreiden | over een gebied verdelen of rondsturen | De wind verspreidt de zaden. | Het nieuws verspreidde zich snel. |
| verstand | het vermogen om te denken en te begrijpen | Gebruik je verstand. | Hij heeft veel verstand van computers. |
| verstoppen | iets of iemand verbergen | Ze verstopte het cadeau onder het bed. | De kinderen spelen verstoppertje. |
| versturen | zenden | Ik verstuur een e-mail naar de docent. | Kun je het pakket morgen versturen? |
| vertellen | in woorden duidelijk maken | Ze vertelde een grappig verhaal. | Ik vertel je later meer. |
| vertrekken | weggaan | De trein vertrekt om tien uur. | We vertrekken morgen vroeg. |
| vertrouwen | geloven dat iemand eerlijk of goed is | Ik vertrouw mijn beste vriend. | Je moet jezelf vertrouwen. |
| verwachten | denken dat iets gaat gebeuren | Ik verwacht regen morgen. | Hij verwacht veel van zijn kinderen. |
| verwijderen | weghalen | Verwijder het bestand van de computer. | De vlek is moeilijk te verwijderen. |
| verzamelen | bij elkaar brengen | Hij verzamelt oude munten. | We verzamelen gegevens voor het onderzoek. |
| verzameling | groep dingen die je hebt verzameld | Ze heeft een grote boekverzameling. | Mijn postzegelverzameling is compleet. |
| vet | dikke olieachtige stof; ook: met veel vet | Eet niet te veel vet. | Deze saus is erg vet. |
| vier | het getal 4 | We zijn met vier personen. | Mijn zoon is vier jaar. |
| vierkant | met vier gelijke zijden en hoeken | Teken een vierkant. | De tafel heeft een vierkant blad. |
| vies | niet schoon | De vloer is vies. | Was je handen, ze zijn vies. |
| vijand | iemand die tegen je is | De twee landen waren vijanden. | Hij ziet niemand als vijand. |
| vijf | het getal 5 | De les begint om vijf uur. | Ze heeft vijf appels. |
| vijver | klein water in een tuin of park | De eenden zwemmen in de vijver. | Er liggen bladeren op de vijver. |
| vinden | ontdekken; een mening hebben | Ik kan mijn sleutels niet vinden. | Ik vind dit een goed idee. |
| vinger | deel van de hand | Hij stak zijn vinger op. | Ik heb mijn vinger gesneden. |
| vis | dier dat in water leeft; ook voedsel | We zagen grote vissen in de zee. | We eten vanavond vis. |
| vlag | gekleurde doek als symbool van een land | De vlag hangt uit op Koningsdag. | Elke school heeft een eigen vlag. |
| vlees | eetbaar deel van dieren | Hij eet geen vlees. | We kochten vlees bij de slager. |
| vlieg | klein insect dat kan vliegen | Er zit een vlieg op het bord. | Een vlieg zoemt in de kamer. |
| vliegtuig | voertuig dat door de lucht vliegt | Het vliegtuig landt om zes uur. | We reizen met het vliegtuig naar Italië. |
| vloer | ondergrond in een kamer | De vloer is van hout. | Pas op, de vloer is nat. |
| voeden | eten geven | Ze voedt haar baby. | We voeden de katten elke ochtend. |
| voedsel | eten | Gezond voedsel is belangrijk. | Het restaurant gooit geen voedsel weg. |
| voelen | met je zintuigen of emoties ervaren | Ik voel me vandaag moe. | Kun je voelen hoe koud het water is? |
| voet | onderste deel van je been; ook lengtemaat | Hij heeft zijn voet geblesseerd. | Ik loop op blote voeten. |
| voetbal | sport met een bal | We spelen elke zaterdag voetbal. | Hij kijkt graag voetbal op tv. |
| vogel | dier met veren dat kan vliegen | Er zit een vogel in de boom. | Die vogel kan mooi zingen. |
| vol | helemaal gevuld; geen plaats meer | De bus is vol. | Mijn agenda zit deze week vol. |
| volgende | die na deze komt | De volgende trein is om negen uur. | Volgende week heb ik vakantie. |
| volgorde | de reeks waarin dingen komen | Zet de zinnen in de juiste volgorde. | De volgorde van de nummers is anders. |
| voor | aan de voorkant; eerder dan; bedoeld voor | De auto staat voor het huis. | We eten voor de film. |
| voorbeeld | model of uitleg met een concreet geval | Kun je een voorbeeld geven? | Dit hoofdstuk heeft veel voorbeelden. |
| voorkomen | zorgen dat iets niet gebeurt | We willen fouten voorkomen. | Veel ongelukken zijn te voorkomen. |
| voorzichtig | met aandacht om geen gevaar of fout te maken | Wees voorzichtig met het mes. | Hij reed voorzichtig door de straat. |
| voorzien | geven wat nodig is; leveren | De organisatie voorziet de vluchtelingen van eten. | De gemeente voorziet in nieuwe fietsenrekken. |
| vork | eetgereedschap met punten | Eet je salade met een vork. | De vork ligt links van het bord. |
| vorm | hoe iets eruitziet aan de buitenkant | Deze steen heeft een ronde vorm. | Welke vorm heeft het koekje? |
| vos | roodbruin wild dier met een staart | We zagen een vos in het bos. | De vos liep snel weg. |
| vouwen | iets buigen zodat delen op elkaar komen | Vouw het papier dubbel. | Ze vouwde de was op. |
| vraag | iets wat je wilt weten | Mag ik een vraag stellen? | De docent beantwoordt elke vraag. |
| vragen | informatie of hulp willen | Ik ga de leraar iets vragen. | Ze vraagt om stilte. |
| vrede | toestand zonder oorlog of ruzie | Na jaren was er eindelijk vrede. | Ze willen in vrede samenleven. |
| vreemd | raar of uit een ander land | Dat is een vreemd geluid. | Hij spreekt met een vreemd accent. |
| vreemde | iemand die je niet kent | Een vreemde vroeg me de weg. | Praat niet met vreemde mensen. |
| vriend | iemand met wie je een goede relatie hebt | Hij is mijn beste vriend. | Ze praat graag met haar vrienden. |
| vriendelijk | aardig, met goede manieren | De ober was heel vriendelijk. | Ze gaf me een vriendelijke glimlach. |
| vriezen | onder nul graden zijn | Het gaat vannacht vriezen. | De vijver kan dichtvriezen. |
| vrij | niet bezet of zonder verplichtingen | Ik ben morgen vrij. | Deze stoel is nog vrij. |
| vrijheid | mogelijkheid om te doen wat je wilt binnen regels | Vrijheid van meningsuiting is belangrijk. | Ze voelde vrijheid tijdens de vakantie. |
| vroeg | op een niet laat tijdstip | Hij stond vroeg op. | Ben je vandaag vroeg thuis? |
| vroeger | in het verleden | Vroeger had ik lang haar. | Hij woonde vroeger in Utrecht. |
| vrouw | volwassen meisje, echtgenote | Die vrouw is mijn lerares. | Mijn vrouw houdt van koken. |
| vullen | vol maken | Vul de fles met water. | Ze vullen de schappen in de winkel. |
| vuur | brandend licht en warmte | Het vuur in de open haard brandt. | Ze staken een vuur aan op het strand. |
Taalriedels
Huishoudelijke producten
| Keuken | Huishoudelijk schoonmaken | Badkamer & toilet | Wonen | Wassen & strijken | Overig praktisch |
|---|---|---|---|---|---|
| Broodrooster | Emmer | WC-borstel | Kaars | Strijkplank | Batterijen |
| Afdruiprek | Dweil | Toiletrolhouder | Waxinelichtjes | Strijkijzer | Verlengesnoer |
| Flessenschraper | Stofdoek | Handdoek | Fotolijst | Wasmiddel | Stekkerdoos |
| Schaar | Schoonmaakdoekjes | Washandje | Spiegel | Wasverzachter | Opbergdoos |
| Dunschiller | Spons | Douchegordijn | Kussen | Wasmand | Paraplu |
| Kaasschaaf | Allesreiniger | Badmat | Plaid (dekentje) | Wasnet | Klok |
| Pannenlap | Prullenbak | Zeepbakje | Mandje | ||
| Theedoek | Vuilniszakken | Tandenborstelhouder | Vaas | ||
| Vaatdoek | Wasmand | Lamp (tafellamp, leeslamp) | |||
| Afwasborstel | Wasknijpers | ||||
| Garde | Droogrek | ||||
| Zeef | |||||
| Snijplank | |||||
| Keukenweegschaal | |||||
| Waterkoker | |||||
| Pannenset | |||||
| Koekenpan | |||||
| Steelpan | |||||
| Ovenhandschoen |
Verstaanbaarheid
Ui-klank
Ui-eu-au
Zeg na
Kun je kleuren met geuren?
Ja in de keuken van de reus
De kleuter kreunt, en de dreumes leunt
Ach, wat sneu
Ik heb jeuk bij mijn heup
Dat is niet leuk
Gebaren
| Situatie | Gebaar | In Nederland? |
|---|---|---|
| Je ziet een product in de winkel | Met je vinger wijzen naar het product | ✅ Ja, dat mag (niet naar mensen wijzen!) |
| Je wilt iemand laten wachten | Hand opsteken met handpalm naar voren | ✅ Ja, dat betekent ‘even wachten’ |
| Je wilt iemand begroeten | Hand geven of drie zoenen (bij vrienden/familie) | ✅ Ja, hand geven is altijd goed; zoenen alleen bij bekenden |
| Je wilt zeggen dat iets lekker smaakt | Duim en wijsvinger op elkaar (smakelijk) of duim omhoog | ✅ Ja, maar duim omhoog is gebruikelijker |
| Je wilt zeggen dat iemand stil moet zijn | Vinger voor de mond | ✅ Ja, universeel gebaar |
| Je wilt iemand roepen die verderop staat | Hand omhoog steken en wenken met vingers | ✅ Ja, maar niet te dwingend gebruiken |
| Je wilt zeggen dat iets ‘goed’ is | Duim omhoog | ✅ Ja, heel gebruikelijk |
| Je wilt duidelijk maken dat je het niet weet | Schouders ophalen, handen opzij | ✅ Ja, vaak gebruikt |