School, dokter, winkel ….
D: Je voelt je niet lekker. Je belt de dokter. Wat zeg je?
D: Je bent in de winkel en je wordt gecontroleerd bij de zelfscan. Je hebt meer in je tas dan je gescand hebt. Wat zeg je?
D: Je dochter is ziek. Je belt de school. Wat zeg je?
D: Bij de buren kwam een ambulance langs. Je ontmoet de buurvrouw op straat. Wat zeg je?
Praten met de buren
Een buurvrouw organiseert een straatfeest

Doel
- Herkennen en gebruiken van Nederlandse beleefdheidsvormen en intonatie.
- Oefenen van alledaagse interacties met buren.
- Beter leren omgaan met onverwachte of gevoelige situaties.
Werkvorm: “Wat zou jij zeggen als…?”
- Jij: “Hoi! We willen volgende zaterdag een straatfeest organiseren. Zou jij misschien iets kunnen meenemen?”
- Cursist: leert zinnen als:
- “Wat leuk! Wat kan ik meenemen?”
- “Ik kan een salade maken, is dat goed?”
- “Hoe laat begint het?”
- “Mag ik ook mijn schoonzus meenemen?”
- Focus:
- Beleefd interesse tonen.
- Een bijdrage voorstellen.
- Afstemmen.

Een ambulance in de straat
- Jij: “Heb je gezien dat er een ambulance stond bij nummer 23?”
- Cursist:
- “Ja, ik zag het. Weet jij wat er is gebeurd?”
- “Is alles goed met mevrouw De Vries?”
- “Ik hoop dat het niets ernstigs is.”
- “Misschien kunnen we een kaartje sturen?”
- Focus:
- Toon van bezorgdheid en meeleven.
- Indirect vragen stellen (i.p.v.: “Wat is er gebeurd?” → “Weet jij…?”).
- Suggesties doen (“Misschien kunnen we…”).

Je kind heeft ruzie gehad met het buurkind
- Jij: “Hoi, ik hoorde van mijn dochter dat er gisteren iets was met de kinderen…”
- Cursist:
- “Ja, ze hadden een beetje ruzie op het plein.”
- “Misschien kunnen we er samen even over praten?”
- “Ik wil graag dat ze weer goed met elkaar omgaan.”
- “Vindt u het goed als we morgen samen een oplossing zoeken?”
- Focus:
- Diplomatiek taalgebruik.
- Suggesties en compromissen voorstellen.
- Kalm en open blijven in de toon.

Een buur maakt veel lawaai ’s avonds
- Jij: “Hoi, mag ik even iets vragen? Ik hoor soms ’s avonds harde muziek…”
- Cursist:
- “Oh, het spijt me als het te luid was.”
- “Zal ik het zachter zetten na 22 uur?”
- “Wilt u het zeggen als het nog eens gebeurt?”
- “Ik wist niet dat u er last van had.”
- Focus:
- Excuses aanbieden.
- Bereidheid tot aanpassing tonen.
- Beleefd assertief reageren.
Tips voor uitvoering
- Laat haar eerst reageren zoals ze zou doen in haar moedertaal, en daarna omzetten naar het Nederlands.
- Gebruik een visuele prikkel (tekening, foto, of toneelspel) om de situatie te starten.
- Vraag regelmatig: “Hoe zou je dit op een vriendelijke manier zeggen?” of “Hoe zou jij reageren als jij last had?”
Afsluiting (optioneel)
Laat haar een kort dialoogje schrijven of inspreken over een burensituatie (bijv. via WhatsApp-bericht of voice note in de klas). Dit versterkt ook de actieve productie
Luisteroefening
Examen Luisteren
Het examen Luisteren bestaat uit ongeveer 40 opdrachten bij 5 of meer luisterteksten. Er zijn 1-3 filmpjes waarbij steeds een opdracht is.
U luistert via een koptelefoon naar korte luisterteksten. Na de luistertekst geeft u antwoord op een vraag. De vragen en antwoordmogelijkheden staan op de computer. Het zijn altijd multiplechoicevragen. Het examen Luisteren duurt 90 minuten voor Programma I en II.
In het examen Luisteren hoort u sprekers die praten over situaties op het werk, tijdens een studie of in het dagelijkse leven. Wat u hoort lijkt op normaal taalgebruik: u hoort verschillende stemmen, versprekingen, herhalingen enz. Een spreker kan een accent hebben, maar het is nooit een dialect. Soms hoort u geluiden op de achtergrond. Dit komt omdat er echte opnames zijn gebruikt.
Voor elke vraag krijgt u 25 seconden de tijd om de vraag en de drie mogelijke antwoorden te lezen. Het luisterfragment start automatisch. U kunt maar één keer luisteren.
Gebruik woordenboek
Tijdens het examen Luisteren mag u geen woordenboek gebruiken.
Woordenschat
Woordspin maken van “ziek zijn”
Woorden met een L
laag, laat, laatst, lach, lachen, ladder, laken, lamp, land, lang, langs, langzaam, laten, leeftijd, leeg, leerling, leeuw, leger, leiden, lenen, lengte, lepel, leren, les, leuk, leven, lezen, lichaam, licht, liefde, liegen, liggen, lijk, lijken, liniaal, links, lip, list, lomp, lood, lopen, los, lot, lucht, lui, luisteren, lunch
Spreken
Beschrijf hoe je …
- thee of koffie zet
- huis eruit ziet
- boodschappen doet
- moet solliciteren
- eten kookt
- de was doet
- werkdag eruit ziet