Les 3 Even Voorstellen

In deze les leer je hoe je een ander kunt vertellen wie je bent en wat je doet.
Je gaat weer verder met het uitbreiden van je woordenschat en je leert hoe je ervoor kunt zorgen dat anderen je goed begrijpen.

Woordenschat

woordbetekenisvoorbeeld 1voorbeeld 2
maagOrgaan in je lichaam dat voedsel verteert.Hij heeft pijn in zijn maag.De maag maakt eten klein.
maalKeer dat iets gebeurt of gegeten wordt.We eten drie maal per dag.De eerste maal dat ik haar zag, was op school.
maaltijdEten dat je op een vast moment van de dag gebruikt.Het ontbijt is mijn favoriete maaltijd.Ze kookte een warme maaltijd voor het gezin.
maanHemellichaam dat ’s nachts aan de hemel staat.De maan schijnt fel vannacht.Kinderen leren over de maan op school.
maandPeriode van ongeveer dertig dagen.Ik krijg mijn salaris elke maand.Februari is de kortste maand.
maarWoord dat een tegenstelling aangeeft.Ik wil wel komen, maar ik heb geen tijd.Hij is klein, maar sterk.
maatGrootte of afmeting; ook: vriend.Deze broek is niet mijn maat.Hij is mijn beste maat.
machineApparaat dat werk doet.De wasmachine is kapot.De machine maakt veel lawaai.
makenIets produceren of doen ontstaan.Zij maakt een taart.De kinderen maken een tekening.
makkelijkNiet moeilijk.Deze oefening is makkelijk.Het is makkelijk om dat te vergeten.
mamaMoeder (informeel).Mama leest een boek voor.Mijn mama werkt in het ziekenhuis.
manVolwassen mannelijke persoon.De man helpt zijn buurvrouw.Dat is een aardige man.
mandVoorwerp om dingen in te dragen.Ze legt de appels in de mand.De kat slaapt in een mand.
manierWijze waarop iets gebeurt.Iedereen leert op zijn eigen manier.Dat is geen nette manier van doen.
mapVoorwerp om papieren in te bewaren.Ik heb de papieren in de blauwe map gedaan.De map ligt op het bureau.
markerenDuidelijk aangeven met een teken of kleur.Je kunt het juiste antwoord markeren.Ze markeert de belangrijke woorden in geel.
marktPlek waar mensen spullen verkopen.Op zaterdag is er markt in de stad.We kopen groente op de markt.
meKorte vorm van ‘mij’.Laat me met rust.Hij helpt me met de tas.
medicijnMiddel om beter te worden van een ziekte.De dokter geeft een medicijn tegen de pijn.Je moet het medicijn drie keer per dag nemen.
meelPoeder van graan om brood van te maken.Ze bakt brood van volkoren meel.Er zit meel op het aanrecht.
meerGroter aantal of hoeveelheid.Ik wil meer tijd voor mezelf.Er zijn meer stoelen nodig.
meerdereMeer dan één; verschillende.Er waren meerdere mensen op het feest.Hij heeft meerdere banen gehad.
meestHet hoogste of grootste van iets.Wie heeft het meest gegeten?Zij is het meest ervaren.
meisjeVrouwelijk kind of jonge vrouw.Het meisje speelt in de tuin.Dat meisje kent mijn broer.
melkWitte drank van koeien of andere dieren.Ik drink graag melk bij het ontbijt.Ze giet melk in de koffie.
meneerAanspreekvorm voor een man.Goedemorgen, meneer Jansen.Die meneer werkt bij de bank.
mengselCombinatie van verschillende stoffen.De saus is een mengsel van olie en kruiden.Ze maakt een mengsel van meel en water.
mensenMeervoud van mens.Er staan veel mensen op de bus te wachten.Mensen hebben eten en slaap nodig.
mesVoorwerp met een scherp blad om te snijden.Pas op, dat mes is scherp!Hij snijdt het brood met een mes.
metSamen met of door middel van.Ik ga met de trein.Ze praat met haar vriendin.
meubelVoorwerp in huis, zoals tafel of stoel.De kast is een oud meubel.Ze koopt nieuwe meubels voor de woonkamer.
mevrouwAanspreekvorm voor een vrouw.Goedenavond, mevrouw De Boer.Die mevrouw werkt op school.
middelHulpmiddel of stof die iets doet werken.Ze gebruikt een middel tegen hoofdpijn.Een goed middel om te leren is herhalen.
middenHet centrale punt van iets.De tafel staat in het midden van de kamer.Ze wonen in het midden van het land.
mijPersoonlijk voornaamwoord (ik, me).Dat boek is van mij.Ze vraagt het aan mij.
mijnBezitterlijk voornaamwoord: van mij.Dat is mijn fiets.Mijn huis is dichtbij.
miljoenGetal: 1.000.000.Er wonen meer dan een miljoen mensen in de stad.Hij won een miljoen euro.
minTeken of woord voor aftrekken; ook: iets negatiefs.Drie min één is twee.Het enige minpunt is de prijs.
minderKleiner in hoeveelheid of aantal.Ik drink minder koffie.Er waren minder mensen dan vorig jaar.
minuutZestig seconden.We wachten nog één minuut.Hij kwam vijf minuten te laat.
misFout of vergissing.Er ging iets mis bij de bestelling.Je hebt het mis, het is anders.
missenIemand of iets niet hebben of ernaar verlangen.Ik mis mijn familie.Ze mist de bus elke ochtend.
mitsAlleen als; op voorwaarde dat.Je mag mee, mits je je huiswerk af hebt.We gaan wandelen, mits het niet regent.
modelVoorbeeld of vorm van iets.Ze toont een nieuw model van de telefoon.Dat model auto is populair.
modernVan deze tijd; niet ouderwets.Hun huis is heel modern ingericht.Ze dragen moderne kleding.
moederVrouw die een kind heeft gekregen.Mijn moeder kookt graag.De moeder troost haar kind.
moeilijkNiet makkelijk; vraagt inspanning.De toets was moeilijk.Hij vindt Nederlands leren moeilijk.
moetenVerplicht zijn om iets te doen.Je moet op tijd komen.We moeten morgen vroeg opstaan.
mogelijkWat kan gebeuren of gedaan kan worden.Het is mogelijk dat het regent.We zoeken naar een mogelijke oplossing.
mogenToestemming hebben om iets te doen.Je mag nu naar buiten.Mag ik even bellen?
momentKort stukje tijd.Wacht een moment, alsjeblieft.Het was een mooi moment.
mondDe opening in het gezicht om te eten of te praten.Hij stopt het snoepje in zijn mond.Houd je mond alsjeblieft dicht.
mooiAantrekkelijk om te zien of te horen.Wat een mooie bloemen!Het weer is vandaag mooi.
moordHet doden van een persoon met opzet.De politie onderzoekt de moord.Moord is een ernstig misdrijf.
moordenIemand expres doden.Hij werd veroordeeld voor moorden.In het verhaal moorden de piraten hun vijanden.
morgenDe dag na vandaag.Tot morgen!Morgen begint de vakantie.
muntGeldstuk; ook: plant met frisse geur.Een euro is een munt.Ze maakt thee met munt.
muziekKunstvorm van tonen en geluiden.Ik luister graag naar muziek.Ze speelt muziek op de gitaar.

Scroll naar boven