| samen | Als je iets samen doet, doe je het met één of meer anderen. | Wij maken samen het huis schoon. | Zij lopen samen naar school. |
| sap | Sap is een vloeistof uit fruit of groente die je kunt drinken. | Ik drink elke ochtend sinaasappelsap. | Ze maakt zelf sap van appels. |
| schaap | Een schaap is een dier met dikke wol dat op een boerderij leeft. | Het schaap loopt in de wei. | Boeren houden schapen voor hun wol. |
| schaar | Een schaar is een voorwerp waarmee je kunt knippen. | Pak de schaar om het papier te knippen. | De schaar ligt in de la. |
| schaduw | Een schaduw is een donkere plek waar het licht wordt tegengehouden. | De boom maakt schaduw op het gras. | In de schaduw is het koeler dan in de zon. |
| scheiden | Scheiden betekent dat mensen of dingen uit elkaar gaan. | Mijn ouders zijn vorig jaar gescheiden. | We moeten het afval goed scheiden. |
| scherp | Scherp betekent dat iets een punt of rand heeft die makkelijk snijdt of prikt. | Pas op, dat mes is heel scherp! | Hij voelde een scherpe pijn in zijn voet. |
| schetsen | Schetsen betekent snel en eenvoudig tekenen of uitleggen. | De kunstenaar schetst een gezicht met potlood. | Ze schetst haar idee op papier. |
| schieten | Schieten is snel iets met kracht wegduwen, vaak met een wapen of bal. | De politie moest schieten om hem te stoppen. | Hij kan goed schieten met een voetbal. |
| schijnen | Schijnen betekent licht geven of lijken. | De zon schijnt vandaag fel. | Hij schijnt boos te zijn, maar ik weet het niet zeker. |
| schip | Een schip is een groot voertuig dat op water vaart. | Het schip vaart over de zee. | We gingen met een schip naar Engeland. |
| school | Een school is een plek waar kinderen leren. | Mijn dochter gaat elke dag naar school. | Op school leer ik lezen en schrijven. |
| schoon | Schoon betekent niet vies, netjes of proper. | Ik maak de keuken schoon. | Je handen zijn schoon na het wassen. |
| schouder | De schouder is het deel van je lichaam tussen je arm en je nek. | Hij draagt de tas op zijn schouder. | Ze heeft pijn aan haar schouder. |
| schreeuw | Een schreeuw is een harde roep of gil. | We hoorden een schreeuw in het bos. | De schreeuw van het kind was luid. |
| schreeuwen | Schreeuwen betekent heel hard praten of roepen. | Hij begon te schreeuwen van boosheid. | Kinderen schreeuwen op het schoolplein. |
| schrijven | Schrijven is letters of woorden maken op papier of scherm. | Ik schrijf een brief aan mijn oma. | Kun jij je naam schrijven? |
| schudden | Schudden betekent iets snel heen en weer bewegen. | Hij schudt de fles voor gebruik. | Ze schudden elkaar de hand. |
| seconde | Een seconde is een tijdseenheid: 1/60 van een minuut. | Wacht nog één seconde. | In een paar seconden was hij weg. |
| sex | Sex is lichamelijk contact tussen mensen voor voortplanting of plezier. | Ze praten open over sex in de les. | Hij las een boek over liefde en sex. |
| signaal | Een signaal is een teken dat iets aangeeft. | Het rode licht is een signaal om te stoppen. | Ze gaf hem een signaal om te beginnen. |
| simpel | Simpel betekent makkelijk of eenvoudig. | Dat is een simpele vraag. | Ze draagt een simpele jurk zonder versiering. |
| sinds | Sinds geeft aan vanaf welk moment iets gebeurt. | Sinds gisteren voel ik me ziek. | Ze woont hier sinds 2020. |
| slaapkamer | Een slaapkamer is een kamer waarin je slaapt. | De kinderen hebben elk een eigen slaapkamer. | Ik ga naar de slaapkamer om te rusten. |
| slapen | Slapen is rusten met je ogen dicht, meestal ’s nachts. | Ik slaap elke nacht acht uur. | De baby slaapt in de wieg. |
| slecht | Slecht betekent niet goed of van lage kwaliteit. | Hij voelt zich slecht vandaag. | Dat was een slecht idee. |
| sleutel | Een sleutel is een voorwerp waarmee je iets kunt openen of sluiten. | Ik ben mijn huissleutel kwijt. | Met deze sleutel open je de deur. |
| slim | Slim betekent dat je snel en goed kunt nadenken. | Zij is erg slim en leert snel. | Dat was een slimme oplossing! |
| slot | Een slot is iets waarmee je iets kunt afsluiten, of het einde van iets. | Het slot van de deur is kapot. | Aan het slot van het boek werd alles duidelijk. |
| sluiten | Sluiten betekent iets dichtdoen of eindigen. | Wil je het raam sluiten? | De winkel sluit om zes uur. |
| smaak | Smaak is hoe iets proeft of eruitziet, of een persoonlijke voorkeur. | Deze soep heeft een vreemde smaak. | Hij heeft een goede smaak in kleding. |
| smal | Smal betekent niet breed. | De straat is hier erg smal. | Ze draagt een smalle rok. |
| sneeuw | Sneeuw is bevroren water dat als witte vlokken uit de lucht valt. | De kinderen spelen in de sneeuw. | Er ligt veel sneeuw op het dak. |
| snel | Snel betekent in korte tijd of met hoge snelheid. | De trein is erg snel. | Ze liep snel naar huis. |
| snelheid | Snelheid is hoe snel iets of iemand gaat. | De auto reed met hoge snelheid. | De snelheid van het internet is belangrijk. |
| snijden | Snijden betekent iets in stukken verdelen met een scherp voorwerp. | Ik ga de groente snijden. | Pas op dat je je niet snijdt! |
| soep | Soep is een warme vloeistof met groenten of vlees die je eet met een lepel. | Ik neem tomatensoep als lunch. | De soep is nog te heet om te eten. |
| sok | Een sok is een kledingstuk voor je voet. | Ik draag wollen sokken in de winter. | Er zit een gat in mijn sok. |
| soms | Soms betekent af en toe, niet altijd. | Soms regent het de hele dag. | Hij komt soms te laat op school. |
| soort | Een soort is een groep dingen of mensen die op elkaar lijken. | Welke soort kaas wil je? | Er zijn veel soorten bloemen in de tuin. |
| sorry | Sorry zeg je als je je verontschuldigt. | Sorry dat ik te laat ben. | Hij zei sorry na het ongeluk. |
| speciaal | Speciaal betekent bijzonder of niet gewoon. | Vandaag is een speciale dag. | Ze draagt een speciaal jurkje voor het feest. |
| spel | Een spel is een activiteit met regels om plezier te hebben of te leren. | Wij spelen een spel met kaarten. | Ze winnen vaak bij dat spel. |
| spelen | Spelen betekent een spel doen of muziek maken. | De kinderen spelen buiten. | Hij speelt gitaar in een band. |
| sport | Sport is lichamelijke activiteit als wedstrijd of oefening. | Voetbal is mijn favoriete sport. | Ze doet elke week aan sport. |
| spreken | Spreken betekent praten of iets zeggen. | Mag ik even met je spreken? | Ze spreekt drie talen. |
| springen | Springen is met kracht van de grond komen met je benen. | Het kind springt op het bed. | Ze springt over het hek. |
| staal | Staal is een sterk metaal dat vaak in gebouwen en gereedschap wordt gebruikt. | De brug is van staal gemaakt. | Hij gebruikt een mes van roestvrij staal. |
| stad | Een stad is een grote plaats waar veel mensen wonen en werken. | Amsterdam is een mooie stad. | Ze wonen in een stad met veel musea. |
| stap | Een stap is een beweging van de voet bij het lopen, of een deel van een proces. | Zet een stap naar voren. | De eerste stap is het moeilijkst. |
| start | Start betekent het begin van iets. | De start van de wedstrijd is om tien uur. | We wachten op het startsein. |
| station | Een station is een plek waar treinen stoppen om mensen in en uit te laten stappen. | Hij neemt de trein vanaf het station. | We ontmoeten elkaar op het station. |
| steen | Een steen is een hard stuk uit de grond, vaak gebruikt in gebouwen of straten. | Er ligt een steen op het pad. | Ze gooien een steen in het water. |
| stelen | Stelen betekent iets meenemen zonder toestemming. | Iemand heeft mijn fiets gestolen. | Ze leert haar kinderen dat stelen fout is. |
| stem | Een stem is het geluid dat je maakt als je praat of zingt, of een keuze bij een verkiezing. | Ze heeft een mooie stem om te zingen. | Ik geef mijn stem aan die partij. |
| stempel | Een stempel is een afdruk van een vorm met inkt, vaak als bewijs of versiering. | De douane zet een stempel in je paspoort. | Kinderen vinden het leuk om met stempels te spelen. |
| ster | Een ster is een heldere lichtpunt aan de hemel of een symbool van iets bijzonders. | Kijk, daar is de Poolster! | Ze kreeg een gouden ster voor haar werk. |
| sterk | Sterk betekent veel kracht hebben of stevig zijn. | Hij is sterk en tilt de zware doos. | Dat touw is niet sterk genoeg. |
| steun | Steun is hulp of iets wat je helpt om niet te vallen. | Ze krijgt steun van haar familie. | De tafel heeft drie poten als steun. |
| stil | Stil betekent zonder geluid of beweging. | Het is stil in de klas. | Blijf even stil staan. |
| stilte | Stilte is de afwezigheid van geluid. | Na het lawaai viel er een diepe stilte. | Ze genieten van de stilte in het bos. |
| stoel | Een stoel is een meubel waar je op kunt zitten. | Hij zit op een houten stoel. | Zet de stoel aan tafel. |
| stof | Stof is vuil dat in de lucht zweeft of op dingen ligt, of een materiaal om mee te naaien. | Er ligt veel stof op de kast. | Ze kiest een mooie stof voor de jurk. |
| stoffig | Stoffig betekent dat er veel stof op ligt. | De zolder is oud en stoffig. | Ik moet mijn bureau afnemen, het is stoffig. |
| stom | Stom betekent niet slim of vervelend, of zonder geluid kunnen praten. | Wat een stomme fout! | Hij bleef stom van verbazing. |
| stop | Stop betekent dat iets ophoudt of dat je iets laat ophouden. | Stop! Je loopt te ver. | Ze drukte op de stopknop van de bus. |
| storm | Storm is een zeer harde wind met veel kracht. | De storm heeft bomen omgeblazen. | Blijf binnen tijdens de storm. |
| straat | Een straat is een weg in een stad of dorp met huizen erlangs. | De kinderen spelen op straat. | Onze straat is lang en smal. |
| straffen | Straffen betekent iemand iets vervelends laten doen of krijgen omdat hij iets fout heeft gedaan. | De leraar straft de leerling voor spieken. | Wie liegt, moet gestraft worden. |
| structuur | Structuur is hoe iets is opgebouwd of georganiseerd. | De tekst heeft een duidelijke structuur. | Kinderen hebben structuur nodig op school. |
| student | Een student is iemand die studeert aan een hogeschool of universiteit. | Zij is student aan de universiteit van Utrecht. | Studenten hebben vaak weinig geld. |
| studie | Studie is het leren op een school of universiteit. | Hij doet een studie rechten. | Ze maakt een planning voor haar studie. |
| stuk | Stuk betekent een deel van iets of iets dat kapot is. | Ik wil een stuk taart. | Mijn bril is stuk. |
| succes | Succes betekent dat iets goed gaat of goed lukt. | Veel succes met je examen! | Zijn plan was een groot succes. |
| suiker | Suiker is een zoete stof die vaak in eten en drinken zit. | Ik neem geen suiker in mijn koffie. | Deze koekjes bevatten veel suiker. |