Les 8 Werk

Woorden

WoordUitlegVoorbeeldzin 1Voorbeeldzin 2
samenAls je iets samen doet, doe je het met één of meer anderen.Wij maken samen het huis schoon.Zij lopen samen naar school.
sapSap is een vloeistof uit fruit of groente die je kunt drinken.Ik drink elke ochtend sinaasappelsap.Ze maakt zelf sap van appels.
schaapEen schaap is een dier met dikke wol dat op een boerderij leeft.Het schaap loopt in de wei.Boeren houden schapen voor hun wol.
schaarEen schaar is een voorwerp waarmee je kunt knippen.Pak de schaar om het papier te knippen.De schaar ligt in de la.
schaduwEen schaduw is een donkere plek waar het licht wordt tegengehouden.De boom maakt schaduw op het gras.In de schaduw is het koeler dan in de zon.
scheidenScheiden betekent dat mensen of dingen uit elkaar gaan.Mijn ouders zijn vorig jaar gescheiden.We moeten het afval goed scheiden.
scherpScherp betekent dat iets een punt of rand heeft die makkelijk snijdt of prikt.Pas op, dat mes is heel scherp!Hij voelde een scherpe pijn in zijn voet.
schetsenSchetsen betekent snel en eenvoudig tekenen of uitleggen.De kunstenaar schetst een gezicht met potlood.Ze schetst haar idee op papier.
schietenSchieten is snel iets met kracht wegduwen, vaak met een wapen of bal.De politie moest schieten om hem te stoppen.Hij kan goed schieten met een voetbal.
schijnenSchijnen betekent licht geven of lijken.De zon schijnt vandaag fel.Hij schijnt boos te zijn, maar ik weet het niet zeker.
schipEen schip is een groot voertuig dat op water vaart.Het schip vaart over de zee.We gingen met een schip naar Engeland.
schoolEen school is een plek waar kinderen leren.Mijn dochter gaat elke dag naar school.Op school leer ik lezen en schrijven.
schoonSchoon betekent niet vies, netjes of proper.Ik maak de keuken schoon.Je handen zijn schoon na het wassen.
schouderDe schouder is het deel van je lichaam tussen je arm en je nek.Hij draagt de tas op zijn schouder.Ze heeft pijn aan haar schouder.
schreeuwEen schreeuw is een harde roep of gil.We hoorden een schreeuw in het bos.De schreeuw van het kind was luid.
schreeuwenSchreeuwen betekent heel hard praten of roepen.Hij begon te schreeuwen van boosheid.Kinderen schreeuwen op het schoolplein.
schrijvenSchrijven is letters of woorden maken op papier of scherm.Ik schrijf een brief aan mijn oma.Kun jij je naam schrijven?
schuddenSchudden betekent iets snel heen en weer bewegen.Hij schudt de fles voor gebruik.Ze schudden elkaar de hand.
secondeEen seconde is een tijdseenheid: 1/60 van een minuut.Wacht nog één seconde.In een paar seconden was hij weg.
sexSex is lichamelijk contact tussen mensen voor voortplanting of plezier.Ze praten open over sex in de les.Hij las een boek over liefde en sex.
signaalEen signaal is een teken dat iets aangeeft.Het rode licht is een signaal om te stoppen.Ze gaf hem een signaal om te beginnen.
simpelSimpel betekent makkelijk of eenvoudig.Dat is een simpele vraag.Ze draagt een simpele jurk zonder versiering.
sindsSinds geeft aan vanaf welk moment iets gebeurt.Sinds gisteren voel ik me ziek.Ze woont hier sinds 2020.
slaapkamerEen slaapkamer is een kamer waarin je slaapt.De kinderen hebben elk een eigen slaapkamer.Ik ga naar de slaapkamer om te rusten.
slapenSlapen is rusten met je ogen dicht, meestal ’s nachts.Ik slaap elke nacht acht uur.De baby slaapt in de wieg.
slechtSlecht betekent niet goed of van lage kwaliteit.Hij voelt zich slecht vandaag.Dat was een slecht idee.
sleutelEen sleutel is een voorwerp waarmee je iets kunt openen of sluiten.Ik ben mijn huissleutel kwijt.Met deze sleutel open je de deur.
slimSlim betekent dat je snel en goed kunt nadenken.Zij is erg slim en leert snel.Dat was een slimme oplossing!
slotEen slot is iets waarmee je iets kunt afsluiten, of het einde van iets.Het slot van de deur is kapot.Aan het slot van het boek werd alles duidelijk.
sluitenSluiten betekent iets dichtdoen of eindigen.Wil je het raam sluiten?De winkel sluit om zes uur.
smaakSmaak is hoe iets proeft of eruitziet, of een persoonlijke voorkeur.Deze soep heeft een vreemde smaak.Hij heeft een goede smaak in kleding.
smalSmal betekent niet breed.De straat is hier erg smal.Ze draagt een smalle rok.
sneeuwSneeuw is bevroren water dat als witte vlokken uit de lucht valt.De kinderen spelen in de sneeuw.Er ligt veel sneeuw op het dak.
snelSnel betekent in korte tijd of met hoge snelheid.De trein is erg snel.Ze liep snel naar huis.
snelheidSnelheid is hoe snel iets of iemand gaat.De auto reed met hoge snelheid.De snelheid van het internet is belangrijk.
snijdenSnijden betekent iets in stukken verdelen met een scherp voorwerp.Ik ga de groente snijden.Pas op dat je je niet snijdt!
soepSoep is een warme vloeistof met groenten of vlees die je eet met een lepel.Ik neem tomatensoep als lunch.De soep is nog te heet om te eten.
sokEen sok is een kledingstuk voor je voet.Ik draag wollen sokken in de winter.Er zit een gat in mijn sok.
somsSoms betekent af en toe, niet altijd.Soms regent het de hele dag.Hij komt soms te laat op school.
soortEen soort is een groep dingen of mensen die op elkaar lijken.Welke soort kaas wil je?Er zijn veel soorten bloemen in de tuin.
sorrySorry zeg je als je je verontschuldigt.Sorry dat ik te laat ben.Hij zei sorry na het ongeluk.
speciaalSpeciaal betekent bijzonder of niet gewoon.Vandaag is een speciale dag.Ze draagt een speciaal jurkje voor het feest.
spelEen spel is een activiteit met regels om plezier te hebben of te leren.Wij spelen een spel met kaarten.Ze winnen vaak bij dat spel.
spelenSpelen betekent een spel doen of muziek maken.De kinderen spelen buiten.Hij speelt gitaar in een band.
sportSport is lichamelijke activiteit als wedstrijd of oefening.Voetbal is mijn favoriete sport.Ze doet elke week aan sport.
sprekenSpreken betekent praten of iets zeggen.Mag ik even met je spreken?Ze spreekt drie talen.
springenSpringen is met kracht van de grond komen met je benen.Het kind springt op het bed.Ze springt over het hek.
staalStaal is een sterk metaal dat vaak in gebouwen en gereedschap wordt gebruikt.De brug is van staal gemaakt.Hij gebruikt een mes van roestvrij staal.
stadEen stad is een grote plaats waar veel mensen wonen en werken.Amsterdam is een mooie stad.Ze wonen in een stad met veel musea.
stapEen stap is een beweging van de voet bij het lopen, of een deel van een proces.Zet een stap naar voren.De eerste stap is het moeilijkst.
startStart betekent het begin van iets.De start van de wedstrijd is om tien uur.We wachten op het startsein.
stationEen station is een plek waar treinen stoppen om mensen in en uit te laten stappen.Hij neemt de trein vanaf het station.We ontmoeten elkaar op het station.
steenEen steen is een hard stuk uit de grond, vaak gebruikt in gebouwen of straten.Er ligt een steen op het pad.Ze gooien een steen in het water.
stelenStelen betekent iets meenemen zonder toestemming.Iemand heeft mijn fiets gestolen.Ze leert haar kinderen dat stelen fout is.
stemEen stem is het geluid dat je maakt als je praat of zingt, of een keuze bij een verkiezing.Ze heeft een mooie stem om te zingen.Ik geef mijn stem aan die partij.
stempelEen stempel is een afdruk van een vorm met inkt, vaak als bewijs of versiering.De douane zet een stempel in je paspoort.Kinderen vinden het leuk om met stempels te spelen.
sterEen ster is een heldere lichtpunt aan de hemel of een symbool van iets bijzonders.Kijk, daar is de Poolster!Ze kreeg een gouden ster voor haar werk.
sterkSterk betekent veel kracht hebben of stevig zijn.Hij is sterk en tilt de zware doos.Dat touw is niet sterk genoeg.
steunSteun is hulp of iets wat je helpt om niet te vallen.Ze krijgt steun van haar familie.De tafel heeft drie poten als steun.
stilStil betekent zonder geluid of beweging.Het is stil in de klas.Blijf even stil staan.
stilteStilte is de afwezigheid van geluid.Na het lawaai viel er een diepe stilte.Ze genieten van de stilte in het bos.
stoelEen stoel is een meubel waar je op kunt zitten.Hij zit op een houten stoel.Zet de stoel aan tafel.
stofStof is vuil dat in de lucht zweeft of op dingen ligt, of een materiaal om mee te naaien.Er ligt veel stof op de kast.Ze kiest een mooie stof voor de jurk.
stoffigStoffig betekent dat er veel stof op ligt.De zolder is oud en stoffig.Ik moet mijn bureau afnemen, het is stoffig.
stomStom betekent niet slim of vervelend, of zonder geluid kunnen praten.Wat een stomme fout!Hij bleef stom van verbazing.
stopStop betekent dat iets ophoudt of dat je iets laat ophouden.Stop! Je loopt te ver.Ze drukte op de stopknop van de bus.
stormStorm is een zeer harde wind met veel kracht.De storm heeft bomen omgeblazen.Blijf binnen tijdens de storm.
straatEen straat is een weg in een stad of dorp met huizen erlangs.De kinderen spelen op straat.Onze straat is lang en smal.
straffenStraffen betekent iemand iets vervelends laten doen of krijgen omdat hij iets fout heeft gedaan.De leraar straft de leerling voor spieken.Wie liegt, moet gestraft worden.
structuurStructuur is hoe iets is opgebouwd of georganiseerd.De tekst heeft een duidelijke structuur.Kinderen hebben structuur nodig op school.
studentEen student is iemand die studeert aan een hogeschool of universiteit.Zij is student aan de universiteit van Utrecht.Studenten hebben vaak weinig geld.
studieStudie is het leren op een school of universiteit.Hij doet een studie rechten.Ze maakt een planning voor haar studie.
stukStuk betekent een deel van iets of iets dat kapot is.Ik wil een stuk taart.Mijn bril is stuk.
succesSucces betekent dat iets goed gaat of goed lukt.Veel succes met je examen!Zijn plan was een groot succes.
suikerSuiker is een zoete stof die vaak in eten en drinken zit.Ik neem geen suiker in mijn koffie.Deze koekjes bevatten veel suiker.

Woorden kinderdagverblijf

Woord / UitdrukkingUitleg in eenvoudig Nederlands
LeidinggevendeIemand die de baas is op het werk en zegt wat je moet doen.
Iemand wegwijs makenIemand uitleggen waar alles is en hoe alles werkt op een nieuwe plek.
Stage lopenMeewerken op een plek om iets te leren voor school.
OverzienKunnen begrijpen wat er allemaal gebeurt en waar je op moet letten.
Bij iemand terecht kunnenJe kunt hulp of advies vragen aan die persoon als je iets niet weet.
Taken oppakkenTaken gaan doen die nog gedaan moeten worden.
De rondleidingEen wandeling door het gebouw om te laten zien waar alles is.
VerschoonruimteEen kamer waar luiers worden verschoond.
DagritmekaartEen kaart met plaatjes die laat zien wat er die dag gaat gebeuren.
WennenLangzaam wennen aan een nieuwe plek, zoals de opvang.
OphaalbriefjeEen briefje waarop staat wie het kind mag ophalen.
Afscheid nemenZeggen dat je weggaat, bijvoorbeeld als ouders vertrekken.
KnuffelmomentjeEven rustig een kind troosten of knuffelen.
In de kring zittenSamen op stoelen of op de grond zitten om iets te bespreken of zingen.
WerkoverlegEen bijeenkomst met collega’s om over het werk te praten.
ObservatieKijken naar hoe een kind speelt of zich gedraagt, om daarvan te leren.
VVE (Voor- en Vroegschoolse Educatie)Extra activiteiten voor jonge kinderen om goed te leren praten en denken.
OudercontactGesprek of contact met ouders over hun kind.
InvalkrachtIemand die tijdelijk komt werken als er iemand ziek is of afwezig.

Solliciteren

Scroll naar boven