
Een les over vakantie
Brieven schijven
De aanhef past zich aan de relatie met de geadresseerde aan. Voor formele brieven gebruik je “Geachte heer/mevrouw,” of “Geachte heer/mevrouw [achternaam]”.
Voor informele brieven gebruik je “Beste [voornaam],” of “Lieve [voornaam],”.
Formele aanhef:
- “Geachte heer/mevrouw,”: Gebruik dit wanneer je de achternaam van de ontvanger niet kent.
- “Geachte heer/mevrouw [achternaam],”: Gebruik dit wanneer je de achternaam van de ontvanger kent.
- “Geachte heer [achternaam],”: of “Geachte mevrouw [achternaam],”: Specifiek voor mannen of vrouwen.
Informele aanhef:
- “Beste [voornaam],”: Gebruik dit voor vrienden, kennissen, of collega’s.
- “Lieve [voornaam],”: Gebruik dit voor familieleden of zeer goede vrienden.
- “Hallo [voornaam],”: Een algemene informele aanhef.
Voorbeelden:
- Formeel: “Geachte heer Jansen,” of “Geachte mevrouw De Vries,”
- Informeel: “Beste Piet,” of “Lieve Anna,”
Belangrijk:
- Vermijd titels zoals “Dr.” of “Prof.” in de aanhef, tenzij het echt nodig is.
- Gebruik geen voorletters in de aanhef.
- Als je de naam niet weet, kun je “Geachte heer/mevrouw,” gebruiken.
Woorden
| Woord | Uitleg | Voorbeeldzin 1 | Voorbeeldzin 2 |
|---|---|---|---|
| taal | Taal is een systeem van woorden en regels waarmee mensen met elkaar communiceren. | Hij leert de Nederlandse taal op school. | Welke taal spreek jij thuis? |
| taart | Taart is een zoet gebak dat vaak bij feestjes wordt gegeten. | Voor mijn verjaardag bakte ik een grote taart. | Wil je een stuk chocoladetaart? |
| tafel | Een tafel is een meubelstuk met een plat blad waarop je dingen kunt zetten. | De boeken liggen op de tafel. | We eten samen aan de keukentafel. |
| tak | Een tak is een deel van een boom dat van de stam afgroeit. | Er zit een vogel op de tak. | Door de wind brak er een tak af. |
| tamelijk | Tamelijk betekent nogal of best wel. | Het is tamelijk koud vandaag. | Ze spreekt tamelijk goed Nederlands. |
| tand | Een tand is een hard wit stukje in je mond waarmee je kauwt. | De tandarts controleert mijn tanden. | Ik heb pijn aan mijn tand. |
| tante | Een tante is de zus van je vader of moeder. | Mijn tante komt morgen op bezoek. | Ze heeft een lieve tante in België. |
| tas | Een tas is een voorwerp waarin je spullen kunt meenemen. | Ze doet haar boeken in de tas. | Ik ben mijn tas vergeten op school. |
| taxi | Een taxi is een auto met chauffeur die mensen tegen betaling vervoert. | We namen een taxi naar het station. | De taxi stond al voor de deur. |
| te | Te betekent ‘in te grote mate’ of ‘om te’ in combinatie met een werkwoord. | Het water is te heet om te drinken. | Hij probeert te helpen waar hij kan. |
| team | Een team is een groep mensen die samenwerken. | Ons voetbalteam heeft gewonnen. | Ze werken als team aan het project. |
| teen | Een teen is een van de vijf delen aan het uiteinde van je voet. | Hij stootte zijn teen tegen de tafel. | Ze draagt schoenen met open tenen. |
| tegen | Tegen betekent in de richting van iets of in tegenstelling tot iets. | Hij duwt tegen de deur. | Ze is tegen dat plan. |
| teken | Een teken is een symbool of een aanduiding dat iets betekent. | Ze gaf hem een teken om stil te zijn. | Een rood licht is een teken dat je moet stoppen. |
| tekenen | Tekenen is met lijnen of kleuren iets afbeelden op papier. | Het kind zit te tekenen aan tafel. | Ze tekent een bloem met potlood. |
| telefoon | Een telefoon is een apparaat waarmee je kunt bellen of berichten sturen. | Ik bel je later op je telefoon. | Mijn telefoon ligt nog in de auto. |
| televisie | Televisie is een apparaat waarop je bewegende beelden kunt zien, of het medium zelf. | De kinderen kijken televisie voor het slapen. | Mijn televisie staat in de woonkamer. |
| tellen | Tellen is de aantallen opnoemen of berekenen. | Hij leert tot twintig tellen. | We tellen hoeveel stoelen er zijn. |
| tennis | Tennis is een sport waarbij je met een racket een bal over een net slaat. | We spelen tennis op zaterdag. | Ze kijkt graag naar tennis op tv. |
| terug | Terug betekent naar de plaats of toestand van eerder. | Ik kom straks terug naar huis. | Geef het boek alsjeblieft terug. |
| terugkomst | Terugkomst is het moment dat iemand terugkomt. | We vierden haar terugkomst met een diner. | Na zijn terugkomst voelde hij zich beter. |
| terwijl | Terwijl betekent ‘op hetzelfde moment dat’ of ‘hoewel’. | Hij kookte terwijl zij de tafel dekte. | Ze ging wandelen terwijl het regende. |
| test | Een test is een manier om kennis, vaardigheid of kwaliteit te meten. | De test bestond uit twintig vragen. | Ze doet een test voor corona. |
| tevreden | Tevreden betekent blij met wat je hebt of hoe iets is gegaan. | Hij is tevreden met zijn cijfer. | Ze kijkt tevreden naar haar werk. |
| thee | Thee is een warme drank die je maakt van blaadjes in heet water. | Wil je een kopje thee? | Ze drinkt elke ochtend groene thee. |
| thuis | Thuis betekent in je eigen huis. | Ik blijf vanavond thuis. | Ze voelt zich thuis in Nederland. |
| tien | Tien is het getal na negen en voor elf. | Hij is tien jaar oud. | Er zitten tien mensen in de klas. |
| tijd | Tijd is de voortgang van momenten; uren, minuten, seconden. | Ik heb geen tijd om te koken. | De tijd gaat snel voorbij. |
| titel | Een titel is de naam van een boek, film of ander werk. | Wat is de titel van dat boek? | Ze won de titel kampioen van Nederland. |
| toekomst | Toekomst is de tijd die nog moet komen. | Hij denkt veel na over de toekomst. | In de toekomst wil ik dokter worden. |
| toen | Toen betekent ‘op dat moment in het verleden’. | Toen hij klein was, had hij een hond. | We gingen naar huis toen het donker werd. |
| toename | Toename betekent dat iets meer wordt. | Er is een toename van het aantal studenten. | De toename van verkeer zorgt voor files. |
| totaal | Totaal betekent alles samen of volledig. | Het totaal is vijftig euro. | Hij is totaal uitgeput na het sporten. |
| traan | Een traan is een druppel vocht uit je oog, meestal als je huilt. | Er rolde een traan over haar wang. | Van het lachen kreeg hij tranen in zijn ogen. |
| tram | Een tram is een voertuig dat over rails door de stad rijdt. | We nemen de tram naar het museum. | De tram is sneller dan de bus. |
| trein | Een trein is een lang voertuig dat over rails rijdt en mensen vervoert. | De trein naar Utrecht vertrekt om acht uur. | Ze leest een boek in de trein. |
| trekken | Trekken betekent iets naar je toe halen of reizen. | Trek aan het touw om de bel te luiden. | Ze trekken door Europa met een rugzak. |
| trouwen | Trouwen is het sluiten van een huwelijk. | Ze gaan trouwen in augustus. | Mijn ouders zijn al dertig jaar getrouwd. |
| trui | Een trui is een kledingstuk dat je warm houdt, vooral in de winter. | Ik draag een dikke trui als het koud is. | Ze kocht een nieuwe trui met strepen. |
| tuin | Een tuin is een stuk grond bij een huis met planten of gras. | De kinderen spelen in de tuin. | Hij plant bloemen in zijn tuin. |
| tussen | Tussen geeft aan dat iets of iemand zich bevindt in het midden van twee andere dingen. | Hij zit tussen zijn ouders in. | De school ligt tussen het park en het station. |
| tweede | Tweede betekent dat iets op de tweede plaats komt, na het eerste. | Hij werd tweede in de wedstrijd. | De tweede deur rechts is van mij. |
Luisteren
Woorden – herhaling
- Leiden – leider
- Lijden – pijn lijden
Lomp
- De man praatte zo hard, dat iedereen hem lomp vond.
- Het is lomp om iemand niet te groeten.
- Hij liet het bord vallen. Dat was een beetje lomp.
- Het is lomp om te lachen als iemand valt.
- Zij zei iets lomp, en daarna schaamde ze zich.
Markeren
- Wil je dit woord in de tekst markeren met geel?
- We markeren de route op de kaart.
- De leraar markeert de fouten in rood.
Mengsel
- Ik maak een mengsel van melk en cacao.
- Het parfum is een mengsel van bloemen en citrus.
- Deze saus is een mengsel van tomaat en kruiden.