Werkwoord

Voor het examen Nederlands 2F (inburgering / mbo-niveau) moeten cursisten vooral laten zien dat ze de meest gebruikte werkwoordsvormen correct herkennen en gebruiken. Het gaat minder om ingewikkelde grammaticale termen en meer om praktisch gebruik in spreken en schrijven.

Hieronder staat een complete les (±60–75 minuten) die goed werkt voor NT2-cursisten.

Les: Werkwoordsvormen (niveau 2F)

1. Lesdoel

Aan het eind van de les kunnen cursisten:

  • de stam van een werkwoord herkennen
  • tegenwoordige tijd correct gebruiken
  • verleden tijd vormen met -te / -de
  • het voltooid deelwoord maken
  • deze vormen gebruiken in korte zinnen

1. Introductie (10 minuten)

Schrijf op het bord:

werken – maken – leren – wonen

Vraag:

  • Wat is de stam?

Antwoorden:

werken → werk

maken → maak

leren → leer

wonen → woon

Leg uit:

Infinitief = hele werkwoord (met -en)

Stam = werkwoord zonder -en

2. Tegenwoordige tijd (15 minuten)

Gebruik een duidelijk schema.

persoonwerken
ikwerk
jijwerkt
hij/zijwerkt
wijwerken
julliewerken
zijwerken

Regel

Bij hij/zij/jij → stam + t

Voorbeeldzinnen:

  • Ik werk in een winkel.
  • Hij werkt op kantoor.
  • Wij werken in Amsterdam.

Oefening 1

Maak de zin af.

1

Ik ______ (werken) vandaag thuis.

2

Fatima ______ (leren) Nederlands.

3

Wij ______ (wonen) in Noord.

4

Hij ______ (maken) een afspraak.

3. Verleden tijd (15 minuten)

Leg de ’t kofschip-regel eenvoudig uit.

Als de stam eindigt op:

t k f s ch p → -te

anders:

-de

Voorbeelden

infinitiefstamverleden tijd
werkenwerkwerkte
makenmaakmaakte
lerenleerleerde
wonenwoonwoonde

Voorbeeldzinnen

  • Ik werkte gisteren.
  • Zij leerde Nederlands.
  • Wij woonden eerst in Utrecht.

Oefening 2

Maak de verleden tijd.

1

Ik ______ (werken) gisteren laat.

2

Hij ______ (maken) een fout.

3

Wij ______ (wonen) eerst in Rotterdam.

4

Zij ______ (leren) veel nieuwe woorden.

4. Voltooid deelwoord (15 minuten)

Leg uit:

Veel werkwoorden krijgen:

ge + stam + t / d

Voorbeelden

infinitiefvoltooid deelwoord
werkengewerkt
makengemaakt
lerengeleerd
wonengewoond

Gebruik met hebben / zijn

Voorbeelden:

  • Ik heb gewerkt.
  • Zij heeft geleerd.
  • Wij hebben gewoond in Den Haag.

Oefening 3

Maak de zin af.

1

Ik heb gisteren ______ (werken).

2

Hij heeft een taart ______ (maken).

3

Wij hebben Nederlands ______ (leren).

4

Zij heeft lang in Amsterdam ______ (wonen).

5. Spreekoefening (10 minuten)

Werk in tweetallen.

Student A vraagt:

  • Wat doe je vandaag?
  • Wat deed je gisteren?
  • Wat heb je gedaan dit weekend?

Student B antwoordt.

Voorbeeld:

Vandaag werk ik.

Gisteren werkte ik thuis.

Dit weekend heb ik gewerkt.

Daarna wisselen.

6. Korte examenopdracht (2F)

Vul het juiste werkwoord in.

1

Gisteren ______ ik naar de supermarkt. (gaan)

2

Hij ______ een nieuwe baan. (zoeken)

3

Wij ______ gisteren een film. (kijken)

4

Zij heeft Nederlands ______. (leren)

5

Ik ______ morgen een afspraak. (maken)

Antwoorden

Oefening 1

1 werk

2 leert

3 wonen

4 maakt

Oefening 2

1 werkte

2 maakte

3 woonden

4 leerde

Oefening 3

1 gewerkt

2 gemaakt

3 geleerd

4 gewoond

✅ Didactische tip (voor jouw lessen in het Leeshuis):

NT2-cursisten leren werkwoordsvormen sneller als je ze combineert met tijdwoorden:

  • vandaag → tegenwoordige tijd
  • gisteren → verleden tijd
  • al / al eens → voltooid deelwoord

Bijvoorbeeld:

  • Vandaag werk ik.
  • Gisteren werkte ik.
  • Ik heb gewerkt.

.

    Scroll naar boven