Antwoordblad

Nr.ZinAntwoordUitleg
1in ___ supermarktde “Supermarkt” is de-woord
2___ melk, ___ pak rijst en ___ groente–, een, –Bij stoffen (melk, rijst, groente) vaak geen lidwoord als het algemeen is
3___ boodschappen bij ___ kassade, deBekend voor spreker (specifiek)
4vanaf ___ centrum naar ___ huishet, –“Huis” vaak zonder lidwoord bij vaste uitdrukkingen: naar huis
5___ deur en ___ keukende, deBekende ruimtes
6___ boodschappen op tafeldeBekende boodschappen
7___ rijst en ___ groentede, deBekende producten van eerder genoemd
8___ eten ruikt lekkerHet“Eten” is het-woord
9___ kop theeeenOnbepaald, één van de vele koppen
10___ grote glimlacheenOnbepaald
11over ___ weerhet“Weer” is het-woord
12___ zonde“Zon” is de-woord
13In ___ tuin … in ___ boomde, deBekende plekken
14___ kind lacheneenOnbepaald kind
15naar ___ werk met ___ goed gevoelhet, een“Werk” is het-woord
16___ rood vesteen“Vest” is het-woord, maar onbepaald
17met ___ auto naar werkde“Auto” is de-woord
18Kind speelt buitenAlgemeen, geen bepaald kind bedoeld
Scroll naar boven